|
1.1 - Apocalyps
Wil je dansen, rosalinde, wil je dansen heel de nacht.
Kom mijn liefste, mijn beminde, hierop heb ik lang gewacht.
Laat mij jou de liefde leren, laat ons niet meer wachten want
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Maar ik durf niet te dansen, mijn liefste,
De nacht is zo duister en koud.
En ik hoor vier ruiters rijden
Daarbuiten door het donkere woud.
Ze komen op magere paarden,
Ze hebben geen haast en geen tijd.
Ach, waarom zijn ze gekomen?
Ik wil er mijn liefste niet kwijt.
Laat ons lachen, rosalinde, het zal er de wind in de schoorsteen zijn.
Niemand zal ons beiden vinden, drink de liefde en de wijn.
Niemand zal ons beiden deren, vul het glas tot aan de rand.
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Maar hoor je die hoeven daarbuiten,
Ze rijden over het land.
En achter de vier ruiters
Staan steden en dorpen in brand.
Och, kon ik jou toch maar behouden,
Bleef jij maar bij mij voor altijd.
Maar ik hoor ze nader komen
En ik wil er mijn liefste niet kwijt.
Kom mijn kleine rosalinde, het zal er de storm in de bomen zijn.
Jij bent immers mijn beminde, klink en drink de rode wijn.
Maak je lokken en je kleren los en reik mij nu je hand.
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Morgen moet ik gaan marcheren voor het lieve vaderland.
Nooit zal ik meer bij jou gaan liggen,
De ruiters gaan jou niet voorbij.
Ze komen mijn liefste halen,
Och kwamen ze ook maar voor mij.
Het wordt al dag in het oosten,
Mijn liefste, nu is het je tijd.
Ik hoor vier ruiters rijden
En ik wil er mijn liefste niet kwijt.
Dag mijn kleine rosalinde, ik zal aan je denken, dag en nacht.
Eenmaal zal ik jou weer vinden, 'k weet dat jij dan op mij wacht.
Mocht ik soms niet wederkeren, schenk een ander dan je hand.
Nu vaarwel ik moet marcheren voor het lieve vaderland.
Nu vaarwel ik moet marcheren voor het lieve vaderland.
Prince god, waarom moet hij sterven?
Waarom is de wereld zo wreed?
Waar komen ruiters gereden,
Vier ruiters met oorlog en leed?
Waarom laat u mij van hem houden
Als u ons toch hiermee weer scheidt?
Ik moet er een kind van hem dragen
En ik wil er mijn liefste niet kwijt.
1.2 - Nee, Meeuw
Handel maar, wandel maar,
Jij vrije weggebruiker.
Maar laat mijn kind zijn speelgoedhuis
Van koek en kleurig suiker.
Nee meeuw, ik wil je wieken niet,
Je vrijheid niet,
Want heel je hemel liegt.
Je taal is glinsterend als een aal
Vol gladde zilveren woorden.
En kijk: ze trekken allemaal
Een slijmerig spoor van moorden.
Nee meeuw, ik wil je wieken niet,
Je vrijheid niet,
Want heel je hemel liegt.
Hef het glas met wijn, rood
Van de dood van jood en neger.
Lest de glans van dit karmijn
De dorst niet van je leger?
Nee meeuw, ik wil je wieken niet,
Je vrijheid niet,
Want heel je hemel liegt.
Dit spel dat ooit op dekens
Om soldaten van zacht tin ging.
De dood zweept als een kinderhand
Naar dood of overwinning.
Nee meeuw, ik wil je wieken niet,
Je vrijheid niet,
Want heel je hemel liegt.
Vietnam, zo heet je nieuwste spel,
Je zet je zwartste stukken in.
En ik vergeet mijn dromen wel
Terwijl ik mijn geluk verzin.
O meeuw, ik wil je wieken niet,
Je vrijheid niet,
Zolang je hemel liegt.
1.3 - Draai Weer Bij
Op het platdak wappert je was zo welwillend,
Rook uit je schoorsteen kringelt kalm omhoog.
Gunstig voor jou en mij.
Duiven zijn her en der goedmoedig doende,
Dom tussen kiezel en asbest en mossen,
Vliegend en vlug van dak naar dak
Naar de drempel, laag laag voorbij,
Laag laag voorbij.
Een man in het blauw hijst een windwijze wimpel,
Blij en voorbeeldig, heer en meester.
Hoog in de zon en wind speelt heel plezierig.
Draai draai weer bij. Draai draai weer bij.
Wind, draai weer bij.
Wind, draai weer bij.
De brandladder klimt als een kat naar de zon
En handdoeken lachen hoog op je balkon.
En vertel me: wie heb je lief lief lief?
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
Draai draai weer bij.
1.4 - Een Respectabel
Man
Omdat hij steeds vroeg uit zijn bed komt
En om acht uur buiten staat,
Altijd in dezelfde trein zit,
Om half zes naar huis toe gaat.
Omdat zijn wereld is gebouwd op stiptheid
Gaat het nooit verkeerd.
En hij is o zo braaf
En hij is o zo fijn
En hij is o zo degelijk
En daar mag hij trots op zijn.
Hij wordt zeer gerespecteerd hier in de stad
En hij doet braaf wat pa hem heeft geleerd.
En zijn moeder gaat vergaderen
Omdat ze een aandeel heeft geclaimd.
Ze drinkt thee met haar accountants
Terwijl zijn pa het meisje neemt.
En behalve naar geld kijkt ze ook
Naar iedere knappe jonge knaap.
En hij is o zo braaf
En hij is o zo fijn
En hij is o zo degelijk
En daar mag hij trots op zijn.
Hij wordt zeer gerespecteerd hier in de stad
En hij doet braaf wat pa hem heeft geleerd.
En hij houdt zo van zijn tuintje
En hij vindt zijn sigaren het best.
En hij is beter dan de rest
En zijn zweetlucht ruikt het best.
En hij hoopt het geld te krijgen
Van zijn vader als die sterft.
En hij is o zo braaf
En hij is o zo fijn
En hij is o zo degelijk
En daar mag hij trots op zijn.
Hij wordt zeer gerespecteerd hier in de stad
En hij doet braaf wat pa hem heeft geleerd.
Hij gaat altijd naar de beurs
Want hij heeft certificaten.
Hij aanbidt het meisje hiernaast
Want hij durft niet met haar te praten.
Maar zijn moeder weet het beste
Wat het huwelijk met zich brengt.
En hij is o zo braaf
En hij is o zo fijn
En hij is o zo degelijk
En daar mag hij trots op zijn.
Hij wordt zeer gerespecteerd hier in de stad
En hij doet braaf wat pa hem heeft geleerd.
1.5 - De Wilde Jager
Wanneer in de morgen de zon weer schijnt
En langzaam de nevel van het land verdwijnt,
Als over het water het zonlicht strijkt,
De aarde nog donker bevroren lijkt,
Dan hoor ik nog altijd zacht
Zijn stem in de wind.
Zijn hoefslag ging door de nacht:
De wilde jager.
Als brandend de zon aan de hemel staat
En tegen de duinen de branding slaat,
Als boven de wereld een wolkenvloot
De boeg door onzichtbare golven stoot,
Dan zie ik weer in de lucht
Zijn hamer van vuur
Waarvoor ieder leven vlucht:
De wilde jager.
Als 's avonds de zon alles koper kleurt
En Achter De Duinen Het Weiland Geurt,
Dan Weet Ik Dat Nu Heel De Wereld Wacht,
Hij Komt Altijd Weer, Hij Komt Iedere Nacht.
Dan Weet Ik: Eens Op Een Keer
Neemt Hij Mij Mee.
Die Hij Haalt, Keert Nimmer Weer:
De Wilde Jager.
Maar 's morgens als toch weer de zon verschijnt
En langzaam de schaduw van de nacht verdwijnt,
Dan weet ik: er komt weer een nieuwe dag,
En vergeet ik de nacht.
1.6 - Onder Ons
Het is een stad, het is een dorp,
Het is een plaats of een gehucht.
En je moet er niet te gek doen,
Anders ben je zo berucht.
Waar je dag zegt tegen melkboer,
Kruidenier en oom agent,
Die je nooit een bon zal geven
Omdat hij je vader kent.
Waar je rustig aan kunt zeuren tegen iedereen op straat,
Omdat iedereen wel iets heeft waar-ie over zeuren gaat.
Eerst dan vind je het gezellig
En je kent de hele stad.
En dan doe je eindexamen
En dan heb je het wel gehad.
Iedereen zit ergens anders
En jij zit verdomd alleen
Met alleen maar oude mensen
En familie om je heen.
En dan wil je ook gaan reizen naar Parijs of naar zoiets.
En je vindt je hele leven en je vaderland maar niets.
Dan ontdek je nieuwe landen
En je gaat op avontuur.
Je lijdt honger in een hooiberg
En geniet de liefde puur.
En je komt na een paar maanden
Als een zwerver weer naar huis
Met een baard en zonder centen,
Je hebt honger, dorst en luis.
En je scheert je en dan trouw je en blijft zitten waar je bent,
In je eigen kleine stadje waar je alle mensen kent.
En dan zeggen ze tevreden:
Hij verliest zijn wilde haar.
Hij wordt eindelijk volwassen
En na nog een tweede jaar
Is hij net zo'n grote hufter
Als zijn vader is geweest,
Die een mening over alles
In het ochtendkrantje leest.
Met zijn eigen televisie en zijn eigen borreltent,
In zijn eigen kleine stadje waar hij alle mensen kent.
Niet dat hij een vlieg zal kwaad doen
En hij is niet interessant
En hij kijkt geen meter verder
Dan zijn borrel en zijn krant.
Maar houd hem maar in de gaten
Want het is zo'n kleine man
Die als hem dat maar gevraagd wordt,
Vaak het beste schieten kan.
2.1 - Naast Jou
Ik heb nog niets begrepen van je woorden
Ik heb m'n moed nog lang niet bij elkaar geraapt
Ik weet zeker nu dat ik jou huilen hoorde
Je ligt naast me en je doet alsof je slaapt
En ik weet dat jij als ik je aan wil raken
Grimmig afweert alsof ik een vreemde ben
Ik ben bang voor jouw gezicht als we ontwaken
Ik ben bang dat je je dan niet eens meer ken
En ik kan jouw lichaam in het donker naast me bijna zien
Ik ken er ieder plekje van
Misschien zie ik je nu misschien nooit meer en het verbaast me
Dat ik nu zo kalm en helder denken kan
Ik herken zelfs jouw manier van ademhalen
In het donker van ons harde smalle bed
En ik voel de warmte van je lichaam stralen
Al heb je mij dan ook in de kou gezet
Ik weet nog goed de eerste nacht dat wij hier waren
Het was winter en je had de trein gemist
In mijn bed lag jij wat voor je uit te staren
Omdat jij er nog niet al te veel van wist
En ik wilde wel heel graag ervaren lijken
Maar ik wist er ook niet veel meer van dan jij
's Morgens durfden wij elkaar niet aan te kijken
'k Had er spijt van en was toch wel heel erg blij
't Is weer ochtend en de zon is al gaan schijnen
Door mijn wimpers zie ik je in de kamer staan
In het zachte licht dat valt door de gordijnen
En je schaamt je nu voor mij, je kleedt je aan
Ik hoop dat ik nooit zo'n nacht meer zal beleven
En het geeft niet of ik mijn gevoel verdruk
Maar je hebt me bij het afscheid iets gegeven
De herinnering aan liefde en geluk
En ik spring uit bed, ik gooi de ramen open, mensen zwermen op het plein
De lucht is blauw
Ik wil zonder doel en zonder regen lopen
En gelukkig zijn al is het niet met jou
Ik wil naar zee toe om te rijden op de golven
Ik wil vliegen als een vogel in de lucht
In de wolken zijn of onder schuim bedolven
't Is voorbij en ik ben vrij en met een zucht
Met een lach en met een traan ben ik door straten
Van de stad waar het nu lente is gegaan
En ik heb de winter achter me gelaten
Onze liefde kan niet langer meer bestaan
Maar al ga ik hiervandaan toch blijf ik zingen
Ik heb altijd toch een lied, in m'n gitaar
Ik blijf dromen van precies dezelfde dingen
'k Zal je weerzien en we blijven bij elkaar
2.2 - Beneden Alle
Peil
Jouw armen liefste, zijn niet om te slaan,
Je moet je handen niet tot vuisten maken.
Je ogen hoeven niet zo hard te staan,
Ontspan die harde lijnen om je kaken.
Je lichaam lief is zacht om aan te raken.
Maar jij denkt enkel aan je eigen heil,
Jij denkt alleen maar aan je eigen zaken
En dat is toch beneden alle peil.
Bekijk jezelf en lach, je zachte arm
Is voor mijn hoofd gemaakt om op te rusten,
Je borst als veilig kussen houdt me warm,
Maar warmer zijn je lippen die me kusten.
Zo wekte je een voor een mijn andere lusten.
Maar jij dacht aan een ander onderwijl
Waarmee je zonder moeite je geweten suste
En dat is toch beneden alle peil.
Mijn liefde was de inzet voor jouw spel,
Door mij liet jij je ijdelheid graag strelen.
Je wilde niet, dan wilde je weer wel.
Ik was verblind, ik liet maar met me spelen.
Je liet je zo maar door een ander stelen
En mijn geluk ging zo maar voor de bijl.
Maar mijn verdriet kon jou niet zoveel schelen
En dat was toch beneden alle peil.
Prinsheerlijk lig je in een anders bed
En maakt hem met je lichaam dwaas en dronken,
Wat in geen enkel opzicht jou belet
Achter zijn rug om weer naar mij te lonken.
Bedriegen ligt nu eenmaal in jouw stijl,
Je hebt je in het geheim aan mij geschonken,
Maar het is toch wel beneden alle peil.
2.3 - Ze Zijn Niet
Meer Als Toen
Tot nu toe was het nooit geheel volmaakt,
Verbrande steden en een volk om voor te sterven,
Een tomeloze liefde, een derde die het kon bederven,
Tot nu toe was het nooit geheel volmaakt.
Er is gezegd: er komen andere tijden,
Er is gevochten voor een nieuw fatsoen.
Er is niet geluisterd naar wat anderen zeiden,
Ik heb geen zin het nog eens over te doen.
Het is nu beter al je vrienden maar te mijden,
Ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.
De grote waarheid is intussen achterhaald,
Wat vroeger wet was, is nu bij de wet verboden,
De ouderen zijn niet meer zoals vroeger halve goden
En de vis wordt ook niet meer zo duur betaald.
Natuurlijk zijn er mensen die nog lijden
En vrede is nog steeds een visioen.
Het is geen tijd om nu je bedje al te spreiden,
Al zijn er mensen die dat nu al doen.
Het is dus beter al je vrienden maar te mijden,
Ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.
Maar denk in godsnaam niet dat we er al zijn,
Er moet zowel het een en ander nog gebeuren.
En het blijft vechten hoewel de anderen niet ophouden met zeuren
Dat het vroeger beter was, zo rustig en zo fijn.
Dat zijn je vrienden die eertijds altijd zeiden
Dat zij het later anders zouden doen.
Ze wilden zich van elk gezag bevrijden.
Nu doen ze niets, ze houden hun fatsoen.
Het is dus beter deze vrienden maar te mijden,
Ze veranderen snel en zijn niet meer als toen.
Morgen is het weer zoals vandaag
Het lijkt veranderd, maar jullie weten beter.
Al wordt de grond intussen onder jullie voeten heter,
Jullie rekenen niet af, je bent te traag.
Er is gezegd er komen andere tijden,
Er is gevochten voor een nieuw fatsoen.
Er is niet geluisterd naar wat anderen zeiden,
Ik heb geen zin het nog eens over te doen.
Daarom heb ik besloten jullie maar te mijden,
Jullie zijn hetzelfde, geen vrienden meer als toen.
2.4 - Ken Je Dat Land
Voor een land zonder strijd,
Voor een hemel zonder wolken,
Voor een nieuwe tijd
Zou ik de stad willen bevolken
Met mensen zonder haat of nijd.
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Met zijn hemel van kristal?
Zon op wijde groene velden
En iedere avond bal,
Waar wij dansen.
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Ken je dat land zo ver van hier?
En een leven van goud,
Zonder leugens, zonder tranen,
Jij die van mij houdt
Zou ik voeren door groene lanen,
'k Had mijn huis van glas gebouwd.
Ken je dat land, mijn allerliefste?
Geluk en vrede voor altijd,
Waar wij samen kunnen dwalen
Zonder tijd voor tijd,
Samen dwalen.
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Ken je dat land zo ver van hier?
Voor de zoemende zee,
Voor een glimlach zonder tanden,
Voor een nieuw idee,
Daar zou ik jou op bei mij handen
Voor willen dragen met me mee.
Ken je dat land, mijn allerliefste?
Met dat altijd groene bos,
Waar altijd de vogels zingen
En wij slapen op het mos.
Zonder wapens, zonder strijden,
Zonder zonden, zonder lijden,
Ah zonder haat, zonder nijd.
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Ken je dat land zo ver van hier?
Ken je dat land, ken je dat land,
O ken je dat land zo ver van hier?
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Ken je dat land?
O ken je dat land zo ver van hier?
Ken je dat land, mijn allerliefste,
Ken je dat land,
Ken je dat land zo ver van hier?
Ken je dat land?
2.5 - Zonder Vrienden
Kan Ik Niet
Je kunt desnoods wel zonder geld
Al is dat voor je maag niet fijn.
Nog erger als een vrouw je kwelt,
Want dan doet ook je hart nog pijn.
Ik weet het kan verschrikkelijk zijn.
Liefst heb ik een vriend met wie ik alras
Langdurig zeuren kan hoe het was
En ik heb troost in mijn verdriet.
Mijn makkers, schenk me nog een glas,
Want zonder vrienden kan ik niet.
Raar is het leven toch, ik hou
Al niet zo veel van alcohol,
Maar uitgerekend om een vrouw
Sla ik naar binnen tot ik vol
En snikkend van de bittere lol
Subiet in slaap val in een stoel.
Daar vindt een vriend mij, ruimt mijn boel.
Ik wankel, prevel vals een lied
Omdat ik me toch gelukkig voel,
Want zonder vrienden kan ik niet.
Bedrogen ben ik vaker wel,
Ook heb ik meer een vrouw bemind.
Uit ging het steeds, maar aan die hel
Denkt toch geen mens als het begint,
Een man blijft toch altijd een kind.
Wie droomt niet van het paradijs,
Ineens wordt niemand oud en wijs.
Je krijgt voor vreugde vaak verdriet,
Niet over rozen gaat de reis,
Maar zonder vrienden kan ik niet.
Laat mij maar schuiven, want ik red
Er toch nog altijd wel iets van.
Nu prince, verhoor dan dit gebed,
Neem alles als het niet anders kan,
Alleen mijn vrienden, laat die dan.
Er blijft mij anders niets, o heer,
Rampzaliger kan toch niet meer.
Terwijl u mij in tranen ziet,
Zweer ik desnoods: ik drink niet meer.
Maar zonder vrienden kan ik niet.
2.6 - De Wevers Van
Silezië
Geen traan in de broeiende brandende ogen
Maar wel is hun mond bars en grimmig gebogen.
Wij weven de lijkwaden der maatschappij,
Een driedubbele vloek ingeweven erbij.
Wij weven.
Wij weven.
Een vloek naar die god met zijn potdove oren
Die nooit ons naieve gebed schijnt te horen.
Vergeefs ons geduld, onze hoop op die god,
Hij heeft ons belazerd, versierd en bedot.
Wij weven.
Wij weven.
Een vloek naar de koning, die vorst der gegoeden,
Hem is onze ellende een zorg in gemoede.
Je laatste drie stuivers afpersen als het kon
En dan maar als slachtvee voor het vuurpeloton.
Wij weven.
Wij weven.
Een vloek naar het vaderland, als het zo mag heten,
Waar leugen en bedrog zich als schimmel invreten,
Waar iedere bloem wordt geknakt voor zijn tijd,
't Is rottende drek waar een worm in gedijt.
Wij weven.
Wij weven.
|
3.1 - Picknick
De bloemenwei is groen getooid,
We hebben bloemen rondgestrooid,
Het goudgelokte kind en wij.
Vriendinnen, vrienden, allemaal,
Gezeten rond de vruchtenschaal.
Ook u bent welkom, lach en kom erbij.
We geven picknick
Onder wilgen, onder linden,
Tussen klaprozen en blinden,
Teer beminden in mijn hart
En sluit je ogen, pluk een bloem.
Daar zijn Tony Vos en Lennaert Nijgh
Van wie ik nog een tientje krijg.
Het goudgelokte lentekind slaapt zacht.
En zoete rook van blauwe kant
Omgeeft mijn hoofd als haartooiband
En druppels honing geuren op mijn vacht.
We geven picknick
Met tante Bet en pater Jansen
Die alzelven samen dansen,
Leliekransen in hun haar.
Kom maak muziek, pluk een bloem.
We vragen u erbij,
De rest verzorgen wij.
Lennaert Nijgh en ik,
Wij geven picknick.
Nu speelt de blikken blazersband
Die meer dan honderd nummers kent.
Het goudgelokte lentekind speelt fluit.
Gekleed in vijgenblad van schuim
Vliegt Dylan door het hemelruim,
Speelt hymnen op zijn harp en gouden luit.
We geven picknick,
Voor de elven en de feeën,
Voor de runderen en reeën,
Voor het vee en iedereen
Moet aardig zijn, pluk een bloem.
3.2 - Ballade Van De
Vriendinnen Voor Een Nacht
Ballade van de vriendinnen van een nacht.
Wel ben ik liever thuis dan in een kroeg
Maar daar sluipt 's nachts de stilte om me heen.
En denken over jou deed ik genoeg,
Dus blijf ik dan maar liever op de been
Want slapen gaat allang niet meer alleen.
Alleen is maar alleen, ik ken de stad,
Wanneer ik eenmaal lastig ben en zat
Is ieder lichaam even warm en zacht
En helpt vergeten wat ik eenmaal had.
Zo ken ik mijn vriendinnen van een nacht.
Wanneer de dag komt, zie ik pas mijn prooi,
Daar naast me slaapt een onbekend gezicht.
En blijkt ze 's morgens vroeg niet meer zo mooi
Als gisteravond met dat roze licht,
Dan doe ik maar weer gauw mijn ogen dicht.
Het was misschien wel fijn voor deze keer,
Ik ga en kom na deze nacht nooit meer.
En als ze mij ontmoet en vragend lacht,
Dan denk ik: wie ben jij nu ook al weer?
Zo ken ik mijn vriendinnen van een nacht.
Soms droom ik half dat ik weer iets herken,
Een geur van haar, een lach waarvan ik houd.
Maar al te goed weet ik dan waar ik ben,
Hier lig ik met een vreemde blote vrouw
En niemand op de wereld lijkt op jou.
Maar blijf ik 's avonds thuis, dan wordt het stil,
Die kamers vol van toen, ze zijn zo kil.
Ik vlucht de stad in en ga weer op jacht
En breng mezelf opnieuw waar ik niet wil.
Zo ken ik mijn vriendinnen van een nacht.
Prinsesjes lief, als iemand jullie kwetst
Of sletten noemt of over zeden zwetst,
Laat hem een ziekte krijgen vol venijn.
We sliepen met elkaar en dat was fijn.
En daarom heb ik niemand ooit veracht,
Maar ik zal jullie altijd dankbaar zijn.
Zo ben ik, mijn vriendinnen van een nacht.
3.3 - De Tuin Der
Lusten
De tijden veranderen sneller dan ooit,
Vandaag kan al gisteren wezen.
Wat morgen gebeuren gaat, weet niemand ooit,
Misschien valt het ergste te vrezen.
De koepel van bloemen, de bol van kristal,
Zij kunnen de liefde bewaren.
De lijst om de wereld is breekbaar en smal,
Kom hier en vergeet de gevaren.
Draag de bonte druiventros
Rijdend op fluwelen dieren,
Waait de wind je haren los, aaahh.
Gezichten in bloemen, ze kijken je aan,
Kom kruip in een schelp met zijn tweeën.
Er vliegen nog zwaluwen uit de vulkaan
En hoog om de roze moskeeën.
Kom spring in het water en duik in de zee,
Verberg je in het brons van de bomen.
Een vogel brengt vruchten en wijn voor ons mee,
Zolang we het lot nog ontkomen.
Draag de bonte druiventros
Rijdend op fluwelen dieren,
Waait de wind je haren los, aaahh.
Er vliegt in de hemel een vogel voorbij,
Ga mee op zijn rug naar het zuiden
En wuif met een palmtak de wolken opzij
Zodat je de klokken hoort luiden.
Nu plukken we samen nog bloemen in het gras
En leven als goden in vrede.
Maar ginder al strooien skeletten met as
En wonen in brandende steden.
Draag de bonte druiventros
Rijdend op fluwelen dieren,
Waait de wind je haren los, aaahh.
3.4 - Megaton
Het blauw van de hemel ziet groen van de rook,
De wind is heet en smaakt naar roest,
IJzervijlsel kleurt de wegen.
Nu stinkt in de slotgracht de modder en ook
De wintertuin is rood en woest,
Het dorre zand knarst luid om regen.
Een stormwind opent ieder graf
En scheurt door het verleden,
Trekt bladzijden van de bomen af,
Er is te veel geleden.
En in andere tijden vergeet ik mezelf.
Met een schoorsteen zo zwart als een stenen kanon
Geladen met synthetisch lood
Heeft Krupp de hemel lek geschoten
En raakt de geweldige spot van de zon
Die smelt en grijs wordt als de dood
En brekend wegzinkt in de goten.
Een super nova neon licht,
Het gas klopt in de buizen.
De zuurstofkraan gaat gillend dicht,
De zee kookt in de sluizen.
En in andere tijden vergeet ik mezelf.
De hoogovens lopen over het land
Met ijzermuilen rood en zwart,
De intocht der isolatoren.
Ze steken de steden met zwavel in brand,
De grote gore ketel barst
En niemand meer die het kan horen.
Breek het bos tot cellulose af,
Verscheur het in atomen.
De zon glijdt smeltend neer in het graf
Om nooit meer om te komen.
En in andere tijden vergeet ik mezelf.
In andere tijden vergeet ik mezelf.
3.5 - Glazen Stilte
De glazen koepel van de lucht is blauw
Zodat de blauwe zon verschiet,
Het droge harde licht is blauw
En ook de parels van de dauw.
Hoelang zal ik hier moeten blijven,
Ik kan niet weten wat ik wil.
En onder mij verstijven
De glazen golven stil.
Er luiden klokken in de blauwe lucht
Van blauwe sparren in het glazen ijs.
Kristallen groeien langzaam verder dicht,
Een mathematisch vergezicht.
En om het glazen hek te sluiten
Komt fahrenheit daar uit zijn pot
Op sleutels van opaalglas fluiten,
Van 'nader tot u, mijn god'.
Geel is de kleur die ik nooit vergeet
Hier in de steppe van gegoten glas,
Blauw is de vrucht die ik moeizaam eet,
De scherven smaken scherp en wreed.
De droge stilte wordt steeds erger
Zodat ik vluchten moet,
Want daar achter de glazen bergen
Ligt het land van vlees en bloed.
3.6 - Tegenland
In oude kathedralen
Van gotisch glas gebouwd
Liggen dode kardinalen
Hun vriendinnen te beminnen
In steen en brons en goud.
En wijze uilen dalen
Er neer zo grijs als lood
Met de echo van verhalen
Die de vorsten hen vertellen
Nog eeuwen na hun dood.
Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
De schelpenhoed, de staf ter hand,
Zo wandel ik in tegenland.
In morgennevels groeien
Uit kratermeren koud
Suikerlelies die gaan bloeien
Stijgend onder orgeltonen,
Een klokkenspel van goud.
De wind waait uit het zuiden
Zodat je het horen kunt
En het verre hol geluiden
In het sneeuwwit licht blijft hangen,
Dat ruikt naar pepernoot.
Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
De schelpenhoed, de staf ter hand,
Zo wandel ik in tegenland.
Ver boven alle dalen
En nevelbergen hoog,
Hoger dan de zonnestralen
Zal ik stijgen met mijn dromen
Langs de glazen regenboog.
Het zal me toch wel lukken
Aan het einde van de reis
Om de gele maan te plukken?
Zou hij naar bananen smaken
Of naar vanille ijs?
Wij wensen alle luisteraars een zalig nieuwjaar.
Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
De schelpenhoed, de staf ter hand,
Zo wandel ik in tegenland.
4.1 - Canzone 4711
Er viel een hete schaduw over het strand,
Die depressie had de zon dus toch gevangen.
De wind bleef onder het wolkendeksel hangen.
De dag bleef stilstaan tussen een en twee.
Vanille ijs smolt in haar bruine hand,
Ze likte langzaam met een koel verlangen.
Ze had nog zilte parels op haar wangen,
Ze bracht de golven in haar haren mee.
En in haar ogen de sterren van de zee.
In haar schelp van stilte zocht ik gaten,
Probeerde mij met haar te laten praten.
Ik keek naar boven en had geen idee.
Vier cijfers vormden een reclamevlucht.
Toen hing er eau-de-cologne in de lucht.
Ze zei iets dat ik moeilijk kon verstaan,
Een man zat met een radio te spelen
Die mij daarop vierstemmig mee kon delen
Dat liefde alles was wat ik nodig had.
Ze keek me een tijd later peinzend aan
En net toen ik haar schouder wilde strelen,
Begon het haar klaarblijkelijk te vervelen
Dat ik alleen maar zwijgend naast haar zat.
En ze verdween half achter het ochtendblad,
Tot haar navel toe was wereldnieuws te lezen.
Ze zei dat eau-de-cologne fijn zou wezen.
Het speet me dat ik dat niet bij me had.
Ze leek me onder haar bikini bruin,
Ze had een hoge schutting om haar tuin.
De eerste druppels vielen op mijn hand,
Tijd voor thee en om zich aan te kleden.
Opeens leek alles jarenlang geleden,
Ze deed haar kleren aan en groette mij.
Een regensluier daalde over het strand
En kinderen huilden hard en ontevreden.
De natte vlaggen zakten naar beneden
En iets dat nooit begon was al voorbij.
Haar kleine wrede hand liet mij niet vrij.
De regen deed me weer naar zee verlangen,
Haar golven hielden mij opnieuw gevangen.
Het ochtendblad nam ik mee, het was van mij.
Steeds verder werd ik weggesleurd van het strand,
De geur van eau-de-cologne woei van het land.
4.2 - Ballade Van Wat
Beter Is
Als jongen jatte ik hun fruit,
Dan kreeg ik trappen voor mijn gat.
Toen heette ik een aartsschavuit
Omdat ik aan hun dochter zat.
De reputatie die ik had,
Ligt net als ik allang op straat.
Ze kennen mij in deze stad,
Het is beter dat ik haar verlaat.
Mijn ouders zitten nog met mij,
Ik sla op hun verdriet geen acht.
Ze leven in mijn zwijnerij.
En als mijn moeder weer een nacht
Dat ik niet thuiskwam, heeft gewacht,
Dan zeurt ze en dan word ik kwaad
En vloek en brul uit alle macht.
Het is beter dat ik haar verlaat.
Ik vond mijn liefde in dit land,
Langs heel het spaarne was het mei.
Eens was ons bed het noordzeestrand,
Maar verder zwijg ik, het is voorbij.
Toch blijft zij altijd dicht bij mij,
Tot scheiden ben ik niet in staat.
Dus zijn we geen van beiden vrij,
Het is beter dat ik haar verlaat.
Ja prince, dat heeft u raak gezegd,
God is de liefde, verder niet.
Dat is wel goed, maar ik ben slecht
Sinds wie mij lief was, mij verliet,
Sinds wie ik trouw was, mij verried.
Maar ik wil liefde en geen haat,
Dus als het leven dat niet biedt,
Het is beter dat ik het verlaat.
Het is beter dat ik het verlaat,
Het is beter dat ik het verlaat...
4.3 - Babylon
Meisjes wachten nachten
Op de god sjalomon Ra,
De draak bewaakt Ophelia
Die in de laan der leguanen
Met jasmijn onder platanen
Terugdenkt aan Antarctica.
Helion verkracht daarna
Voor mijn ogen Ariadne.
Zacht glazuur is Babylon.
Tempelgoud glanst helder
In de stralen van de zon.
Daar rijst herboren Helion.
Door de gongen onderbroken
Spoort de zon in stroken
Voor de tongenpoort omhoog.
Helion doodt Oberon
Voor de ogen van Apollo.
Zacht glazuur is Babylon.
Priesters heffen hoorns
Voor de witte stenen god.
Elysee beweent het lot.
Als het leger heeft gestreden,
Er zijn meesters overleden
Bij het eerste lentefeest.
Helion bespeelt de bigot
Voor de ogen van Nemesis.
Zacht glazuur is Babylon.
Meisjes wachten nachten...
Tempelgoud glanst helder...
4.4 - Heksenlied
Kinderen van Arion, kinderen van Nerion,
Kinderen van Ur, Balder en Sater,
Kinderen van de maan, dochters van varaan,
Zonen van waldaan, noem de naam.
Van Ra en Baldur, kinderen van Ur
Myrthe en Syra, vrouwen van de god,
Achter de stromen, achter de bomen,
Waar de trollen wonen. Noem de naam.
Goden en saters, langs koele waters,
Preken wat waar is in de naam van Ra.
Dochter en zoon, heer van de troon
Is Loön de ikoon. Noem de naam.
Van Jim-John de dwerg, nicht van de berg,
Van de god Alister. Waar woont de zwaan?
Kinderen van de maan, dochters van varaan
En de god Waldaan. Noem de naam.
Noem de naam Arfistel, de naam Mefistel,
Vouw het epistel, brand het en tel tot vier.
Satan is hier, satan is hier,
Satan is hier, satan is hier,
Satan is hier, satan is hier.
4.5 - De Nachtwacht
De stadspoort in het donker dicht,
De toren slaat het laatste uur.
En langs de grachten vonkt rood licht
Als imitatie hellevuur.
De nachtwacht met zijn blindekop
Klimt langs de bruggen stijf en grijs.
Zijn roep weerkaatst in steeg en slop,
De trage langvergeten wijs.
Twaalf, een, ik houd de wacht,
De klok heeft geslagen.
Het zal spoedig weer dagen
En koud is de nacht.
Zijn zachte voetstap in 't plantsoen
Die tweelingschimmen vluchten doet,
Trekt slepen door het donkergroen.
Hij glimlacht wijs en bitterzoet.
Een grijze man ligt op de straat
En zingt zijn lied van brandewijn.
Wanneer de nachtwacht langs hem gaat,
Dan stemt hij in met het refrein.
Twaalf, een, ik houd de wacht,
De klok heeft geslagen.
Het zal spoedig weer dagen
En koud is de nacht.
Dan wordt de hemel porselein,
Het laatste rode licht, dat dooft.
Het fluiten van de eerste trein,
De nachtwacht schudt zijn bruine hoofd,
Ontvlucht het zonlicht in een kroeg
En leunend op zijn hellebaard
Verdrinkt hij daar de dag al vroeg,
Een dauw van tranen in zijn baard.
Hij kan niet leven overdag,
Hij vliegt zich in de zon kapot.
Geen mens die hem ooit anders zag
Dan als een grote grijze mot.
Twaalf, een, ik houd de wacht,
De klok heeft geslagen.
Het zal spoedig weer dagen
En koud is de nacht.
4.6 - Aan Het Einde
Heb
je de trek van de spreeuwen gezien
En de vlam van de herfst langs de grachten?
Oktober is koud en nog kouder misschien
Is de wind in de eenzame nachten.
Kom terug en wacht niet
Want de winter dekt dit land.
Kom terug in mijn huis, in mijn hand.
De stad in de mist is een andere stad
Dan die kermis met zonnige straten
Waar je toen voor 't eerst het gevoel hebt gehad
Dat je niemand meer zou kunnen haten.
Kom terug en wacht niet
Want de winter dekt dit land.
Kom terug in mijn huis, in mijn hand.
De nacht in de havens is vol van geluid
En de geuren van kruiden en gember.
Een ankerlicht dooft aan de horizon uit
En het water is koud in december.
Kom terug en wacht niet
Want de winter dekt dit land.
Kom terug in mijn huis, in mijn hand.
Oh de vlakte is grijs en de wereld is oud
En ik vlucht langs het pad naar het zuiden.
Maar te laat want er rijst al een toren van zout
En voor mij gaan de klokken nu luiden.
Kom terug en wacht niet
Want de winter dekt dit land.
Kom terug in mijn huis, in mijn hand.
|