|
1.1 - De Cirkel
Vandaag nog lacht het kind luid om het wonder
Van snelle waterjuffers in het riet
't Schrikt nog voor de bliksem en de donder
En 't schreit als het een staartster vallen ziet
Het kind wiegt weg en weer met de getijden
't Wordt groter met het wassen van het meer
Eens zullen zijn dromen hem bevrijden
Van leugens en beloftes van weleer
De seizoenen vliegen weg en weer
De houten paarden gaan op en neer
Wij draaien op de molen van de tijd
We tollen rond, kunnen niet terug,
Het heden vliegt voorbij
Want het rad draait rond en rond
In de eeuwigheid.
Lente komt voor zomer, herfst voor winter
Zestien jaren liepen 't kind voorbij
Men zegt hem: neem je tijd, het duurt niet lang meer
Voor jij het rad vertraagt en dan ben je vrij...
De seizoenen vliegen weg en weer
De houten paarden gaan op en neer
Wij draaien op de molen van de tijd
We tollen rond, kunnen niet terug,
Het heden vliegt voorbij
Want het rad draait rond en rond
In de eeuwigheid.
Jaren kwamen langs, mijn zoon is twintig
Zijn dromen onherkenbaar door de tijd
Morgen maakt hij nieuwe, misschien betere
De toekomst heeft hem door haar spel verleid.
De seizoenen vliegen weg en weer
De houten paarden gaan op en neer
Wij draaien op de molen van de tijd
We tollen rond, kunnen niet terug,
Het heden vliegt voorbij
Want het rad draait rond en rond
In de eeuwigheid.
1.2 - De Stad Is Verloren
Ken je het licht?
De hemel is blauw.
Ik breng je naar de dalen van 't verleden.
Ik schenk je duizend schalen met de druiven van geluk,
De duiven van de vrede,
Alle vruchten die ik pluk
Schenk ik aan jou.
Het licht is een toren
Gebouwd voor de zon;
De dag wordt geboren uit een gouden cocon...
Ken je de nacht?
De hemel is grauw.
Dan toon ik jou het asfalt van de straten,
Dan zal ik jou de huizen van de voorstad laten zien,
De kluizenaars die stierven,
Alle dronkaards bovendien
Toon ik aan jou.
Ik kan je niet horen,
Je smelt in de zon;
De stad is verloren in staal en beton...
Ken jij het licht?
De stad is in rouw.
Ik breng je in de armen van de morgen,
Ik schenk je alle tranen van een arme oude vrouw,
De stilte die je zocht,
Alle zwervers in de kou
Toon ik aan jou.
De dag wordt geboren,
Ik kan je niet horen.
Je smelt in de zon,
Jij kunt het niet horen.
Ik heb je verloren,
Ik heb je verloren.
De stad is verloren
In staal en beton...
1.3 - De Geboorte
Voor iedere moord zijn er woorden te weinig
En zwijgen de mensen als het graf van de man
Die stierf door de hand van een naamloze dader
Want moord en geweld, daar schrikt niemand meer van
Voor iedere oorlog zijn nog teveel soldaten
Te weinig verzet tegen bloeddorst en nijd
Alleen kan de wereld nog hopen en wachten
Er moet iemand komen die alles bevrijdt
Er moet iemand komen die alles bevrijdt
Er moet iemand komen die alles bevrijdt
Komt allen tezamen, want hij is geboren
De redder van mensen is terug in 't land
De hemel scheurt open met bloemen en koren
Hij loopt met een lelie van glas in z'n hand
Z'n voetstap is licht als het licht in z'n ogen
De liefde z'n wapen, de vrede z'n strijd
En hij doet de oorlog als een inktvlek verdrogen
Strooit zand op het bloed van de vorige tijd
Vanaf dit moment komen andere tijden
Waar dichters van droomden, ze komen voorgoed
En nu komt een einde aan angst en aan lijden
Verdwijnen de wolken van buskruit en roet
En overal groeien er parels van druiven
Het land van belofte verdrijft de woestijn
En weer spelen wolven met mensen en duiven
En weer smaakt de regen op aarde als wijn
In velden en wegen verjaagt hij de boze
En strooit met z'n glimlach een baan voor de zon
Opnieuw heeft de wereld de ruimte gekozen
En straalt weer als eerst toen het leven begon
1.4 - Jantjes Hoofd Dat Is Ontploft
De leraar had ons zijn rantsoen geleerdheid ingespoten
Z'n boekenwijsheid met gezag over ons hoofd gegoten
En wij maar knikken en wij maar slikken
En elk van ons deed wat ie kon om alles te verteren
Dat lukte meestal niet zo best maar ja, je moest proberen
En wij maar knikken en wij maar slikken
Ik zag aan Jantjes rooie kop dat hij het niet zou halen
Maar dacht toch nooit dat hij dit met z'n leven zou betalen
Jantjes hoofd dat is ontploft, daar kon ie echt niet tegen
We hebben een mooie krans gekocht en een dag vrijaf gekregen
Ach, Jantje was wel wat apart, die had zo van die dagen
Dat hij de leraar naar 't waarom der dingen durfde vragen
Maar hij moest knikken en hij moest slikken
Het kwam daarbij zo ver dat hij niet klakkeloos wou leren
Maar soms z'n eigen mening gaf of hard ging discussiëren
Maar hij moest knikken en hij moest slikken
En wij, wij voelden net als hij, maar hebben braaf gezwegen
Te vastgeroest in 't oud systeem, te bang om te bewegen
Jantjes hoofd dat is ontploft, daar kon ie echt niet tegen
We hebben een mooie krans gekocht en een dag vrijaf gekregen
We leven nu als nette lui in huisjes met teeveetjes
Op maat geknipt en opgepept met voorgekauwde ideetjes
En wij maar knikken en wij maar slikken
De school heeft ons goed afgericht, tot kermisaap met boordje
Die voor z'n meester buigt en springt, gewillig aan z'n koordje
En wij maar knikken en wij maar slikken
En wie niet buigt als iedereen wordt te verstaan gegeven
Dat hij net als Jantje barsten moet, zo is nu eenmaal 't leven
Jantjes hoofd dat is ontploft, daar kon ie echt niet tegen
We hebben een mooie krans gekocht en een dag vrijaf gekregen
't Is allemaal zo snel gegaan, een luide knal en boem gedaan
En Jantje was eraan
En Jantje was eraan
En Jantje was eraan
En Jantje was eraan
1.5 - Bang Om Oud Te Zijn
Wanneer de woorden die ik spreek
Kapot gebezigd zijn en bleek
Zichzelf oneindig maal herhalen
En ziek van onverschilligheid
De tekens van een nieuwe tijd
In termen van weleer vertalen
Wanneer ervaring wordt herkauwd
Tot zij als wijsheid wordt beschouwd
Dan weet ik dat ik oud zal zijn
Dan weet ik dat ik oud zal zijn
Ik heb nog nooit de tijd gevreesd
Die rimpels in mijn huid zal maken
Maar doet hij droog en zoutloos smaken
Wat fris en pittig is geweest
Dan ben ik bang om oud te zijn
Ben ik bang om oud te zijn
Wanneer berusting tot mij komt
In dagelijkse sleur vermomd
En ik haar graag zal binnen laten
En al wat pijn en vreugde heet
Tot een gewoonte is versteend
Die ik niet eens zo fel zal haten
Wanneer m'n hart zich aan de gloed
Van vroeger vuur verwarmen moet
Dan weet ik dat ik oud zal zijn
Weet ik dat ik oud zal zijn
Ik heb nog nooit de tijd gevreesd
Die rimpels in m'n huid zal maken
Maar doet hij droog en zoutloos smaken
Wat fris en pittig is geweest
Dan ben ik bang om oud te zijn
Ben ik bang om oud te zijn
Wanneer de liefde langzaam slijt
En dan tot heimwee wordt herleid
Naar lang voorbije heldendaden
Omdat het mooiste spel verveelt
Als het te dikwijls wordt gespeeld
En men iedere zet vooraf kan raden
Wanneer ik liefde voor elkaar
Niet meer als telkens nieuw ervaar
Dan weet ik dat ik oud zal zijn
Weet ik dat ik oud zal zijn
Ik heb nog nooit de tijd gevreesd
Die rimpels in m'n huid zal maken
Maar doet hij droog en zoutloos smaken
Wat fris en pittig is geweest
Dan ben ik bang om oud te zijn
Ben ik bang om oud te zijn
Ben ik bang om oud te zijn
1.6 - De Grote Revolutie
Je zag het aan de verhitte gezichten
Van Jan Klaassen, Piet Lut en de rest.
De maatschappij zou vandaag nog veranderen
Want ze vonden haar rot als de pest.
En Piet Lut zei: tot meerder genoegen
Van onze bazen die zwemmen in 't geld
Staan wij maar ons lijf af te sloven
Dat moet uit zijn, wij gebruiken geweld
't Is te laat voor gepraat, wij komen op straat
En we maken revolutie, de grote revolutie
Wij eisen onze rechten, wij willen ervoor vechten
Want we maken revolutie, de grote revolutie
Nog even, nog even
Er zijn geen bazen meer, geen knechten
Zei een arbeider 'laten we vechten'
Alleen is dit niet het goede moment
Nu juist ons weekloon gaat stijgen
Men belooft zelfs met driekwart procent
Geef me drie, hooguit vier kalme maanden
Dan heb ik genoeg geld gespaard
Kan ik eindelijk mijn TV afbetalen
M'n koelkast en m'n oudvlaamse haard
Eenmaal dat voor elkaar sta ik heel en al klaar
En we maken revolutie, de grote revolutie
Wij eisen onze rechten, wij willen ervoor vechten
Want we maken revolutie, de grote revolutie
Nog even, nog even
Er zijn geen bazen meer, geen knechten
Zei een arbeider 'het lijkt me ook beter'
Dat met vechten nog wordt gewacht
Want de leiders van onze syndicaten
Hebben het net tot minister gebracht
Zij verhogen misschien ons pensioentje
Of wij krijgen een vakantieweek bij
Alleen is dat nog helemaal niet zeker
Maar als iemand het doet dan zijn 't zij
Eenmaal dat voor elkaar staan wij heel en al klaar
En we maken revolutie, de grote revolutie
Wij eisen onze rechten, wij willen ervoor vechten
Want we maken revolutie, de grote revolutie
Nog even, nog even
Er zijn geen bazen meer, geen knechten
De revolutie is er nooit gekomen
Iedereen had zo z'n tijdelijk bezwaar
Was bezorgd om z'n auto, z'n huis en z'n huur
Of keek liever naar Feyenoord-Standard
Lalala...
|
2.1 - Het Verdronken
Land Van Saeftinge
Ik hoor hier soms het luiden van de klok
Wijl wesp en bij eentonig zoemen
Of 's nachts wanneer de zee de wandelaar lokt
Naar het verdronken land van Saeftinge
De zon daalt in een poel van nevel neer
Ik hoor het krijsen van de meeuwen
Ze reizen schijnbaar doelloos heen en weer
Naar het verdronken land van Saeftinge
De vloed werpt dode vissen op het strand
Hun ogen glimmen in het maanlicht
Maar geen ontsnapt nog uit het grauwe zand
Naar het verdronken land van Saeftinge
Undine sluipt zacht door de duistere nacht
Zij kent 't geheim van vele dingen
Ze wenkt me toe en lokt me met haar lach
Naar het verdronken land van Saeftinge
2.2 - Omtrent
Sinterklaas
Zie ginds komt de stoomboot ...
Zie ginds zit ex-sinterklaas, hij weent als een kind
Hij heet nog wel Nikolaas, maar hij is niet meer sint
Hij is tot z'n spijt z'n heiligheid kwijt
"Wat heb ik in godsnaam de mensen misdaan?"
Wat heeft hij in godsnaam de mensen misdaan?
Zie ginds komt de stoomboot
U weet toch, de sint die loopt altijd in 't rood
Is dus communist en zo links als de dood
En wordt vast door Moskou of Mao betaald
Want waar heeft hij anders z'n speelgoed gehaald ?
Kijk hoe hij bewaakt wordt door de BOB
Dak op en dak af, ook de Curie klimt mee
Dak op en dak af, heel de bende klimt mee
Zie ginds komt de stoomboot
U weet toch, de sint draagt een baard en lang haar
En werkt bovendien maar één dag in het jaar
Hij is dus een beatnik of een anarchist
Een hippie of provo of een idealist
Kijk hoe hij bewaakt wordt door de BOB
Dak op en dak af, ook de Curie klimt mee
Dak op en dak af, heel de bende klimt mee
Zie ginds komt de stoomboot
U weet toch, de sint heeft als vriend zwarte piet
Da's iets wat de oud-koloniaal niet graag ziet
Piet heeft vast een kaart van Black Power op zak
En zeg nou maar zelf, wie wil dat op z'n dak ?
Kijk hoe hij bewaakt wordt door de BOB
Dak op en dak af, ook de Curie klimt mee
Dak op en dak af, heel de bende klimt mee
Zie ginds komt de stuffboot
U weet toch de sint die zweeft hoog door de lucht
Iets waar zelfs een heilige maar zelden in lukt
Wanneer hij dus steeds in de wolken verkeert
Dan is dat omdat hij zich dagelijks drogeert
Kijk hoe hij bewaakt wordt door de BOB
Wolk op en wolk af, ook de Curie die klimt mee
Wolk op en wolk af, heel de bende klimt mee
Kijk hoe hij bewaakt wordt door de BOB
Wolk op en wolk af, ook de Curie die klimt mee
Wolk op en wolk af, heel de bende klimt mee
2.3 - Onder De Bomen
De zwerver heeft z'n weg gezocht
En daalde af langs de rivier
Verdween achter de laatste bocht
En hij komt nooit meer terug naar hier
De zwerver heeft zijn huis verkocht aan iemand die het hoorde.
Z'n weg loopt naar het noorden.
Het is een lange tocht
Wie zei dat de vogels niet floten
Ik hoorde vandaag hun gezang.
Hier bij de bomen klonk het lied
Dat zei: De grote stad is bang
Jouw stad begrijpt m'n vrijheid niet
Onder de bomen
Onder de bomen
De zwerver liet mij in de stad
En langs de oevers van het meer
Verdween hij op z'n laatste pad
En ik, ik ken mezelf niet meer
Ik hou me vast aan wat ik had
Ik zwijg in alle talen
Hij is niet terug te halen
Een zwerver keert niet weer
Wie zei dat de wouden niet geurden
Het ruikt hier naar dennen en hout
En langs de meren groeit het riet
Dat zegt: De grote stad is koud
Jouw stad begrijpt m'n vrijheid niet
Onder de bomen
Onder de bomen
Ik heb zolang m'n weg gezocht
De grijze avond valt alweer
De rode zon besluit z'n tocht
En nergens vind ik vrede meer
Waar is de vrouw die op me wacht
Me zachtjes zal begroeten
Ik zoek met zere voeten
De weg terug door de nacht
Wie zei dat de stad veel te klein was?
Nu loop je te zingen op straat
Je vrienden heb je weer herkend
Je lacht en drinkt tot 's avonds laat.
Jouw hart begrijpt m'n stad, je bent
Teruggekomen
Onder de bomen van de stad
In m'n armen
Onder de bomen, in m'n armen
Onder de bomen, in m'n armen
Onder de bomen, in m'n armen
Onder de bomen, in m'n armen
2.4 - Het Land Van Nod
En Abel zweeg een wijl, en kneep zijn ogen dicht.
De rechter sloot het boek en deed zijn harde plicht.
De jury keek ontzet, de rechter brak zijn staf.
Maar Abel gaf geen kik bij 't horen van zijn straf.
En Kaïn stal een ram als offer voor zijn god.
En Abel zag de rook vanuit het land van Nod.
En Petrus nam het geld en borg het in de grond.
En Judas werd beticht toen men het niet meer vond.
Johannes vluchtte weg hij vreesde voor zijn kop.
En Judas kocht een koord en hing zich daarmee op.
De priesters lachten luid en schimpten op hun god.
En Abel zag het kruis vanuit het land van Nod.
De koning en de nar schaakten voor de kroon.
En toen de vorst verloor, beklom de nar de troon.
Die maakte toen een wet die 't narrenpak verbood.
Al wie men daarin zag schoot men dadelijk dood.
De lach werd subversief en ernst het groot gebod.
Slechts Abel lachte droef vanuit het land van Nod.
De predikant kwam hier en opende zijn mond.
Maar deed die prompt weer dicht, en liep zo maar wat rond.
Men stelde hem de vraag, waarom hij zwijgen bleef.
Hij wees toen op zijn hand, Zei: „zie eens hoe die beeft".
Net toen hij spreken wou weerklonk 't fatale schot.
En Abel zag het bloed vanuit het land van Nod.
De zandman speelt zijn rol, verkleed als nette heer.
Hij wiegt elkeen in slaap en kijkt dan op hen neer.
Hij heeft een gouden arm, die schittert als de zon.
Maar al wat hij betast wordt buigzaam als karton.
In golven kleur en schuim verschijnt de neongod.
Zelfs Abel ziet zijn gloed vanuit het land van Nod.
En Edgar Allan Poe staart somber in de nacht.
En grijnslacht naar de raaf die immer op hem wacht.
En William Wilson steekt zijn dubbelganger neer.
Wie echt was en wie schijn dat weet hij nu niet meer.
Al kreunend doolt hij rond en vloekt het wrede lot.
Ook Abel ziet zijn schim vanuit het land van Nod.
De fee in leren jak, de huurling en de heks, vereren 't gouden kalf
Wijl Mozes Mister Sex het witte doek bevuilt met sperma en met bloed
Hij gooit de stenen wet stuk voor zijn eigen voet
De splinters en ’t gedruis, verwoorden 't nieuw gebod.
En Abel zucht vermoeid vanuit het land van Nod.
De landman smeekt vergeefs om toegang tot de wet
Op 't bankje voor de poort heeft hij zich neergezet.
De wachter neigt het hoofd, de man werd doof en oud,
En schreeuwt hem in het oor: "Die poort was daar voor jou".
Daarna doet hij ze dicht, de sleutel valt in 't slot.
En Abel hoort de klik vanuit het land van Nod.
En Moloch heerst alom de heer van 't helse vuur.
En Hein zijn trouwe maat, verbeidt het stervensuur.
De dwerg balt boos zijn vuist, waarbij de reus luid lacht.
En dof gromt de vulkaan bij 't vallen van de nacht.
Al is nog niets beslist, wie vreest er niet zijn lot?
Zelfs Abel wendt het hoofd vanuit het land van Nod.
En hier sta ik vannacht gevangen in het licht.
Maar duister is het rond mij, Ik zie geen bekend gezicht.
Mijn woorden breken stuk, in scherven op de grond.
Weerspiegelen ze wel meer dan waas van mijn mond?
Mijn ogen zijn verblind, ik ben hulpeloos als een mot.
Slechts Abel ziet het licht vanuit het land van Nod.
2.5 - Voor Wie Ons
Soms Geweld Aandoet
Ons pover lied wordt rijk door hen
Die zich in ons herkennen
Omdat het mooie woorden vindt
Bij wat zij zelf ook denken
Maar 't zoekt zijn weg ook bij
Al wie gelooft dat wij
Met al te zure desem
Al te zoete broodjes bakken
Of onze deegwaar veel te hard
Tegen uw oren plakken.
Ook als u ons recept misnoegt.
Belangrijk is dat u het proeft.
En daarom zingen we even goed
Voor wie ons soms geweld aandoet.
Ons pover lied vertoont zich graag
In bonte bijvalskleren
Toch flirt het niet alleen met hen
Die 't wierookvat hanteren
Maar dient ook van repliek
De pausen der kritiek
Die elk engagement
Tot mode degraderen
En ons daarna als commerciële
Modegril negeren.
We hopen dat u hoort en ziet
Alvorens u uw pijlen schiet.
En daarom zingen we even goed
Voor wie ons soms geweld aandoet.
Misschien proeft u ons allebei
Als zoete slagroomtaarten
Of als het zacht aroma van
Vergeelde prentbriefkaarten
Misschien vindt u ons maar
Een vals profetenpaar
Een duivel met vals engelenhaar
Een lam met vossenstreken
Zodat u op uw ganzen let
Als wij de passie preken.
Zijn wij de sint of zwarte piet?
Het ligt aan u hoe u ons ziet.
En daarom zingen we even goed
Voor wie ons soms geweld aandoet.
Ons pover lied wordt rijk door hen
Die zich in ons herkennen
Omdat het mooie woorden vindt
Bij wat zij zelf ook denken
|