|
Pajottenland
De lucht is hier nog helder en de tarwe is goudgeel.
Kapellekes en wilgebomen staan er ook nog veel.
Maar de chemicaliën knarsen me tussen de tanden.
Ze werken hier ook liever met vergif dan met hun handen.
De preitjes zien er lekker uit, de aardbeien zijn vers.
Er staat een flinke blos op elke appel, elke kers.
De minister van volksvergiftiging heeft d'er net,
officiëel, zijn goedkeurende stempel opgezet.
Juist daarom ben ik begonnen biologisch te tuinieren
en leef ik nu in vrede met de schadelijke dieren.
Het zo verwenste onkruid is mijn bondgenoot.
Ik eet alleen maar bloemetjes en zelfgebakken brood.
Ik ben ne pajottelandersman en ik zing zoveel ik kan
over mijn heimatje met schoonheid overladen.
Vooral de sterke stoere Brabantse trekmeisjes
zijn in geen geval te versmaden.
De Vraatzuchtige wegenleggers hebben ons te pakken.
Ze staan paraat om onze laatste bosjes om te hakken.
Welke domme kinkel heeft daar ooit om gevraagd,
dat men onze koeitjes uit de groene weiden jaagt,
om er de zoveelste autostrade te gaan leggen .
Wat gaat ons moeder van die stouteriken zeggen ?
Waar moeten onze schapen en de geitekes nog grazen ?
Waarom wordt zo een baantje nooit de lucht eens in geblazen ?
Ja, zeer geachte heren van de wegenbouw.
Hou jullie hachje in de gaten !
De simpele boerenjongens zijn te goeder trouw,
maar ze beginnen jullie toch te haten.
Ik ben ne pajottelandersman en ik zing zoveel ik kan
over mijn heimatje met schoonheid overladen.
Vooral de sterke stoere Brabantse trekmeisjes
zijn in geen geval te versmaden.
Ik ben ne pajottelandersman en ik zing zoveel ik kan
over mijn heimatje met schoonheid overladen.
Vooral de sterke stoere Brabantse trekmeisjes
zijn in geen geval te versmaden.
De
Vampier
Op ongeveer één boogscheut van hier
Woont een Transsylvaanse vampier
Hij zit al jaren met verlof
Tussen de graven van ons kerkhof
Hij leeft alleen van maagdenbloed
En af en toe wat suikergoed
Maar de laatste tijd begint hij te verzwakken
Hij kan bijna geen maagden niet meer pakken
Want echte maagden worden zeldzaam
De meisjes laten zich te vlug gaan
z' Hebben reeds lang ontucht bedreven
Vóór hij ze een beet kan geven.
Dan is hij naar tomatensap overgeschakeld
Maar heeft zichzelf nog erger toegetakeld
Van de koolhydraten die hij nu moet missen
Staan allemaal zijn ogen vol varissen
Zijn tanden plooien, ze gaan te vlug verslijten
Van door die blikken dozen heen te bijten
Zo meisjes blijf a.u.b. wat langer kuis
En geef niet al jullie bloed aan 't Rode Kruis
Maar Iaat nog een paar liter voor die drommel
Of hij crepeert nog van die rommel
Laat hem niet in geknars en in geween
Maar ga deze nacht nog naar hem heen.
De
Jager
Hier en daar, kortom langs alle kanten
Lopen hier konijntjes en fazanten.
Op 't eerste zicht lijken ze vroom en vrij,
Voor hen gaat de zomer niet voorbij.
De vriezeman geeft hen geen koude poten,
Tegen dan zijn ze lang al neergeschoten.
Voor de lol, voor de sport, of gewoon als tijdverdrijf,
Vlogen menig haasje de poten van zijn lijf.
De jager komt hier soms wel voor mijn deur,
Dan verdwijnt meteen mijn opgewekt humeur.
Als je hier het lef hebt om je hond buiten te laten,
Dan gaat mijnheer de jager met de veldwachter eens praten.
Dan sta je daar natuurlijk zo stom als een porei,
Want dan word je daar beticht van roof en stroperij.
Het enige wat je doen kan omdat je niet anders durft,
Is hopen dat de jager korte armpjes krijgt en schurft.
Want wil je hier gaan wandelen met een bruine duffel-coat,
Of een jasje in kopijnevel, dan ben je zeker dood.
Want uit het duister duikt hij op en voor dat je het merkt,
Heb je een halve kilo hagel, in je achterwerk.
Wilde duiven zijn hier zomaar vogelvrij,
Daar jaagt hij op, eender welk jaargetij.
Bij gebrek aan everzwijnen, reebokken en vossen
Schiet hij de kraaien en de eksters uit de bossen.
De veldmuizen die trekken zich verschrikt terug in de grond,
Ze voelen aan de voetstappen, de jager loopt weer rond.
Maar ik zit er aan te denken om valkuilen te graven,
Langs al de kleine paadjes, waar de jager loopt te jagen.
Misschien valt hij zich kreupel en blijft hij altijd manken,
Dan komen al de beestjes mij vriendelijk bedanken
Mijn Peter
Mijn peter, dat is een oude man met een rustig kloppend hart van goud
In zijn Lowie treize borstkas van ongeschonden eikenhout.
Het kruis van zijn broek hangt aan zijn knieschijven.
Maar dat belet hem niet van overeind te blijven.
Om vier uur loopt zijn wekker af, uit je nest, jij ouwe rakker,
Dan springt hij uit zijn beddezak en maakt al zijn kippen wakker.
En al vriest het dat het kraakt en staan alle bomen stijf,
Toch gaat hij in zijn onderlijfje de waterpomp te lijf
Voor een goei'tas straffe koffie en om zijne nek te wassen.
Dan roept hij op zijn katten, die drie schurftige paljassen.
Ja, hij is een taaie landbouwer van reeds ver boven de zeventig.
Van twee oorlogen weggevlucht en nog op en top springlevendig.
En hij trekt hij maar komkommers en hij plant hij maar patatten,
Zijn rug staat er van krom maar hij heeft nog nergens aderspatten.
Want hij zit veel liever buiten dan achter zijn t.v.,
Zijn krant die gebruikt hij maar alleen op de w.c.
Zijne radio staat vastgeroest op Brussel Vlaams,
Uitsluitend voor het weerbericht met de rest heeft hij geen uitstaans.
Maar sinds onz' meter dood is voelt hij zich alleen.
Hij verveelt zich even hard als het plaasteren Heilig Hart
dat in 't midden van de schouw staat, zijn twee armen gespreid,
aan zijn linkerhand de koffiepot en rechts de cichorei.
Ja, mijn peter rolt een sigaret, zijn longen zijn potzwam,
toch werd hij nog nooit aangevallen door zijn gouden hart.
Liedje Voor Hildeke
Daar hangt ze in het boekenrek.
Ze is weer eens op zoek
Om iets interessants te zoeken in het grote paardenboek.
Z' heeft al honderdduizend beeldekens van renpaarden verzameld,
Die hangt ze naast elkander aan de muren van haar kamer.
Van spinnekoppen krijgt ze puberpuistjes en de stuipen
Maar een paard gelijk een olifant daar durft ze op te kruipen.
Ik sta haar te bewonderen vol bewondering
Want ze kent nu eenmaal alles van dat gehoefijzerde ding.
Ze is niet groot, ze is niet sterk en toch is ze niet bang,
Ze houdt met haar twee handjes gans die biefstuk in bedwang.
Schoon, lief Hildeke,
Wil je mij eens tonen hoe dat ik rijden moet ?
Want ik kan dat niet goed, ik ga altijd te voet.
Ze houdt alleen van jongens met een gulle paardenlach.
't Is daarom dat ik denk dat ze mij ook gaarne mag.
Want soms wipt ze zonder zadel vanachter op mijn rug
En hangt ze daar te giechelen ju Urbainske, vlug.
Dan geeft ze mij de sporen, ik ga briesend op de loop,
Ik zet mijn beste pootje voren maar ik trap in een molshoop.
Ik begin zwaar scheef te hangen en de grond komt alsmaar dichter
Dan denkt ze in haar eigen de plezante ligt er.
Ik schuif onder een appelaar, een éénjarige laagstam,
Ik had een buil en een maagzweer toen ik er vanonder kwam.
Schoon, lief Hildeke,
Wil je mij eens tonen hoe dat ik rijden moet ?
Want ik kan dat niet goed, ik ga altijd te voet.
Ze zit alsmaar te zagen om voor haar een paard te kopen.
Ze zegt, jij hebt toch geld met stapels en met hopen.
En vroeg of Iaat krijg ik het echt niet meer over mijn hart
En koop ik haar een merrietje helemaal in het zwart.
Omdat het zo een mooie kleur is en om de belastingen te bedriegen
Ze zegt, ik krab je ogen uit als je me durft beliegen.
Want ze is echt geen kat om zonder wanten aan te pakken,
Dan kan je je gezicht wel vol spanadrakes plakken.
Maar als ik haar zie liggen in dat malse groene gras
Wou ik dat ik eens ruitertje en zij mijn paardje was.
Schoon, lief Hildeke,
Wil je mij eens tonen hoe dat ik rijden moet ?
Want ik kan dat niet goed, ik ga altijd te voet.
Hels Angel
Ik rijd met een brommer met dikke banden
En ik ben de plezantste van de straffe mannen.
Ik rijd met een brommer met dikke banden
En ik ben de plezantste van de straffe mannen.
Bij elke rel of vechtpartij ben ik er altijd gloeiend bij.
Van mijn zeven zat ik allicht in het verbeteringsgesticht.
Nu wordt het moeilijk om nog rond te stoeien
Want de politie tracht me uit te roeien.
Ik denk da'k er niet goed voren zit 'k heb een strafregister in gebroken wit.
Ik ben een hels angel,
Ik ben een hels angel,
Ik heb van niemand gene bangel,
Ik rij al over berg en dal,
Mijne naftbak moet leeg
da's al.
'k Heb nekeer een accident gedaan.
Bennekik me daar ne gang gegaan.
Toen ik een kruispunt overvloog, kreeg ik een strontvlieg in mijn oog.
Ik ben bij een beenhouwer binnen gereden, die heeft in zijn vinger gesneden.
'k Zat er weeral niet goed voor want er stak een salami in mijn oor.
Binnenkort ga ik eens lekker trouwen
Met een koppel ferme vrouwen.
't Is niet van willen maar van moeten, want ik had een goed stuk in mijn voeten.
'k Heb ze bemind op mijnen brommer, tegen tweehonderd per uur.
Ze zagen groen als een komkommer, maar in vlam en vuur.
Op een keer reed ik weer te rap, plots hoor ik een enorme klap.
'k Had zeven kippen doodgereden, een melkkoe en een kat.
Darmen, pluimen en haar, wat een bloedbad.
Maar k’ was in mijn recht want ze moesten blijven staan,
En daarbij z’hadden zelfs hunne gordel niet aan.
Ik ben een hels angel,
Ik ben een hels angel,
Ik heb van niemand gene bangel,
Ik rij al over berg en dal,
Mijne naftbak moet leeg
da's al.
|
Handtekeningske
Ik heb een handtekeningske mogen
zetten,
Op een Westvlaams meisje haren buik.
Wat was dat prettig zo een mollig maagdebuikje,
Maar ze stonden er met tienen op te letten.
En als ze me zo bekijken blijven,
Kan ik moeilijk in schoonschrift schrijven.
Ik dacht waarachtig d'er iets prachtigs van te maken
Maar ik begon al zenuwachtig te geraken.
Ik voelde me de recordhouder der idolen,
Dat gebeurt niet alle dagen dat ze zo iets komen vragen
En dan stijgt me dat onmiddellijk naar mijn zolen.
Wat had ik dolgraag John Mac Don Figerald Amedeus
Prosper Cyriel Oscar van de bollenwinkel geheten,
Dan had ik nu nog bij haar gezeten.
Ze liet me maar begaan
Maar wat had ik daar nu aan ?
Ik bleef angstvallig haar naveltje ontwijken
Want nu stonden z'al met twintigen te kijken.
Toen heb ik er iets listigs op gevonden,
Waar ze allemaal verstomd van stonden
Ik heb opzettelijk een dikke fout geschreven
En ze met mijn kleine vinger uitgewreven.
Urbanus dat was juist, maar Van Ananas
Was mis en daarmee kon ik nog eens lekker herbeginnen.
Vaarwel Theo
Ik kwam onlangs gewandeld langs het brugje van de
sloot
En ik vond er mijn vriend Theo met een boomstam aan zijn poot
Ik zei : „Theoke in godsnaam wat ben jij van plan ?"
Hij zei : „'k Ga mij hier verdrinken en trek het je niet aan"
Maar Theo met zo'n boomstam ga je toch nooit onder
Dan gaat het nog veel vlugger als j'er inspringt zonder
Gebruik dan toch een koelkast of een wasmasjien
Dan ben je zo verzopen zonder af te zien.
En Theoke die knikte : „Het is juist wat je vertelt."
En we trokken toen te samen naar de vuilnisbelt.
Maar wat we daar toen vonden maakte Theoke niet blij
Een opgeblazen binnenband en een lege batterij
We prevelden te samen onz'akte van geloof.
En inderdaad, we vonden er een Leuvense stoof
Dat gietijzeren mormel vanachter op de rug,
Strompelden we kreunend weerom naar de brug.
Theo bond het touwtje heel strakjes rond zijn nek,
Hij zei : „Geef me maar een duwtje als ik teken geef „vertrek"
Het startsein werd gegeven, ik gaf Theoke een stoot
Hij dook met stoof en al in een rode gummiboot
Die toevallig kwam gevaren onder het brugje uit
Met een pasgetrouwde bruidegom en een parelwitte bruid.
Het meisje was op slag verlamd en de jongeman werd blind
Van radeloze woede om zijn bruidje teerbemind.
De bruidegom heeft Theoke toen naar de keel gegrepen
En heeft ze tien minuten waterdicht geknepen.
Maar Theoke die lachte : „Het kan mij niet verschillen,
Hoe harder dat je nijpt, hoe liever dat ik zou willen."
De bruidegom verbleekte en Theoke werd rood
Het gummibootje kantelde en ze gingen allen dood.
Ik was toen heel tevreden, gelukkig en voldaan
Dat ik Theoke mijn beste vriend in de nood had bijgestaan.
Mols Bloes
Der zit ne mol op mijne zolder,
Der zit ne mol op mijne zolder
'k Wil gene mol op mijne zolder
Holder de bolder
Hij zit daar maar te wroeten,
Mijne planchee die moet er aan,
Die mol, die moet hier weg
En daarmee is dat gedaan.
Der ligt ne pastoor in mijn soeptalloor,
Der ligt ne pastoor in mijn soeptalloor.
Waar is dat nu weer goed voor,
Azoo ne pastoor in mijn soeptalloor
Hij tracht boven te blijven
Met de schoolslag en de crawl
Maar al de vermichellekes
Drijven hem in het nauw.
Twee vliegen neuken in mijn keuken,
Twee vliegen neuken in mijn keuken.
Ik wil geen vliegen in mijn keuken
En zeker niet als ze beginnen neuken.
Ze hangen aan de lamp.
Ze plakken aan de muur
En krijgen ze een kramp
Dan vallen ze in mijne konfituur.
Der zit een koe op mijn grootmoe,
Der zit een koe op mijn grootmoe.
Toe koe, ga van mijn grootmoe
Want mijn grootmoe wordt niet goe.
Ze is haar komen zetten
Op mijn grootmoe hare schoot.
Hare rolstoel heeft begeven
En nu is mijn grootmoe dood.
De Pyromaan
Ik had vannacht zo'n goesting naar een vrouw.
Ik lag te kippevellen van de kouw.
Ik heb toen maar mijn bed in brand gestoken
En ben daarna bij Salomon gekropen.
Maar die heeft toen het lampje aangeknipt
En heeft mij d'er vierkantig uitgewipt.
Ik zei hem: „Ik beloof je dat ik dit onthou,
Ik speel nooit meer vlooienspel met jou.
Maar Salomon heeft niet op mij gelet.
Toen stak ik ook de vlammen aan zijn bed.
Dokter! Dokter Iaat me gaan
Ik blijf hier in dit gekkenhuis niet meer
Ik ben weer heel normaal
En genezen deze keer.
'k Heb de deurknop met het stopcontact verbonden.
De verpleger leek hysterisch opgewonden.
Hij maakte ook een bloedstollend geluid.
Toen hij binnen kwam met de injectiespuit.
Er kwamen vonken uit zijn neusgaten geschoten.
'k Heb de brandblusser op hem toen leeggespoten.
Zijn ogen stonden wild en heel verschrikt.
Hij had de naald in zijn eigen bil geprikt.
Hij was daarna heel spoedig gekalmeerd.
Hopelijk heeft hij zich niet bezeerd.
Dokter! Dokter Iaat me gaan
Ik blijf hier in dit gekkenhuis niet meer
Ik ben weer heel normaal
En genezen deze keer.
De aardappelpuree rook aangebrand
En het stoofvlees was weer aan de taaie kant.
'k Heb toen in de keuken brand gesticht.
Bedank me niet, ik deed alleen mijn plicht.
De keukenmeid verkoold en ook sindsdien
Hebben we de kok niet meer gezien.
Dokter u wordt ineens zo bleek
Had u misschien een drukke week.
Je sigaartje hangt in je mond te beven
Zal ik je misschien een vuurtje geven?
Als Ik Doodga
Als ik doodga,
En ik naast mijn lichaam sta
Zal ik rustig blijven wachten
Tot ze me komen halen,
De goede geesten van het licht
Want zij zullen me leiden
Naar de eeuwig groene weiden.
Als ik dood ga
Zal ik helemaal niet bang zijn,
'k Zal zelfs heel tevreden zijn
Want ik heb vertrouwen
In wat er komen zal.
Niemand loopt verloren
Als hij op weg is naar 't heelal.
Als ik dood ga
Dan zal God me vragen
Wat ik met al die mooie dagen
Van mijn leven heb gedaan.
Hij zal vragen waar ik zat
Of ik aan Hem wel heb gedacht
Toen ik Hem niet nodig had
Als ik dood ga
En ik naast mijn lichaam sta
Begint alles van tevoren
Want ik word opnieuw geboren
Eer alles is voltooid
Zal ik nog dikwijls moeten sterven
Maar echt doodgaan doe ik nooit.
|